Grote Amerikaanse studie naar puberteitsblokkers: minder suïcidaliteit geregistreerd, maar geen bewijs van oorzaak en gevolg
Een Amerikaanse studie op basis van verzekeringsdata koppelt een recept voor puberteitsblokkers bij transgender jongeren, na statistische correctie, aan een lagere kans op een diagnose stemmingsstoornis of suïcidaliteit. De onderzoekers schrijven zelf dat hun gegevens alleen een samenhang laten zien, geen oorzaak en gevolg.

Half juli 2026 verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift JAMA Network Open een grote Amerikaanse studie naar puberteitsblokkers en psychische gezondheid (bron). Onderzoekers van onder meer Mount Sinai, Yale, Harvard en de Universiteit van Michigan gebruikten een verzekeringsdatabase met ongeveer 146 miljoen verzekerden. Zij vonden dat een recept voor een blokker bij transgender jongeren, na statistische correctie, samenhing met een lagere kans op een diagnose stemmingsstoornis en op suïcidale gedachten of gedrag. De auteurs zien daarin een aanwijzing voor een gunstig effect op de psychische gezondheid, maar schrijven ook dat hun gegevens alleen een samenhang kunnen laten zien en geen oorzaak. Dit artikel zet de cijfers en die voorbehouden op een rij. Op puberteitsremmers.nl staat een bespreking van dezelfde studie, die laat zien dat het recept in de hele onderzochte groep juist samenhing met meer diagnoses.
Wat de studie precies deed
De onderzoekers gebruikten een landelijke claimsdatabase van meerdere soorten zorgverzekeraars over de periode januari 2016 tot januari 2025. De analyse omvatte 231.783 jongeren van 10 tot 17 jaar. Daarvan werden 41.472 jongeren op basis van diagnosecodes aangemerkt als transgender en 190.311 als cisgender. De jongeren zijn in vier groepen verdeeld: 1.260 transgender jongeren met een recept voor een puberteitsblokker, 40.212 transgender jongeren zonder zo'n recept, 78.111 cisgender jongeren die een blokker kregen bij een diagnose vroegtijdige puberteit, en 112.200 willekeurig gekozen cisgender jongeren zonder blokker. Van de transgender jongeren in deze data kreeg dus 3,04 procent een blokker. Of iemand een stemmingsstoornis of suïcidale gedachten of gedrag had, is afgeleid uit de diagnosecodes in de declaraties.
De cijfers zelf
Transgender jongeren hadden in deze data veel vaker een diagnose dan cisgender jongeren: 30,67 tegen 10,80 procent voor een stemmingsstoornis en 5,59 tegen 0,91 procent voor suïcidale gedachten of gedrag. Na statistische correctie kwam dat neer op een odds ratio van 4,42 en van 12,21. Binnen de groep transgender jongeren stond suïcidaliteit minder vaak in het dossier van wie een blokker kreeg: 3,65 tegen 5,65 procent. Een stemmingsstoornis kwam in de ruwe cijfers bij hen juist iets vaker voor: 33,81 tegen 30,57 procent. In het gecorrigeerde model hing een recept bij transgender jongeren samen met een lagere kans op beide diagnoses: een odds ratio van 0,52 voor een stemmingsstoornis en van 0,20 voor suïcidaliteit. Over de hele onderzochte groep wees het verband de andere kant op: daar hing een recept samen met een hogere kans op een stemmingsstoornis (odds ratio 2,11) en op suïcidaliteit (3,04). In alle gevallen gaat het om een samenhang. De auteurs schrijven zelf dat claimsdata geen oorzaak kunnen vaststellen.
De kanttekeningen van de onderzoekers zelf
De onderzoekers noemen in hun artikel meerdere beperkingen. Claimsdata zijn observationeel: ze laten samenhangen zien en geen oorzaken. De uitkomsten kunnen volgens de auteurs zijn beïnvloed door factoren die niet zijn gemeten, door verschillen in toegang tot zorg of in steun van het gezin, en door de selectie die bij terugkijkend cohortonderzoek hoort. De database bevat alleen de zorg die is gedeclareerd, zodat ondersteuning buiten de reguliere zorg, zoals steungroepen, niet in beeld is. Voor psychosociale steun kon niet worden gecorrigeerd. Van de ongeveer 1,85 miljoen patiëntjaren ontbrak bij 28 procent een deel van de gegevens. De database is volgens de auteurs mogelijk niet representatief voor de Amerikaanse bevolking. Over de lagere kans bij transgender jongeren schrijven zij dat die verder moet worden onderzocht en (vertaald) 'met voorzichtigheid' moet worden geïnterpreteerd. Tegelijk concluderen zij dat hun analyse ingaat tegen het beeld dat blokkers bij transgender jongeren met een slechtere psychische gezondheid samenhangen.
Wat dit voor jou als ouder betekent
Deze studie kan worden aangehaald als bewijs dat blokkers 'veilig' of 'beschermend' zijn. De tekst van de onderzoekers zelf is voorzichtiger: het gaat om een grote studie op verzekeringsdata, met 1.260 transgender jongeren die een blokker kregen, met diagnoses die uit declaratiecodes zijn afgeleid, en met de uitdrukkelijke vermelding dat de gegevens alleen samenhangen laten zien. Dat betekent niet dat het onderzoek waardeloos is: het levert een signaal op dat verder onderzoek verdient. Het betekent wel dat je als ouder gerust mag doorvragen wanneer een behandelaar deze studie noemt als sluitend bewijs. Vraag concreet: is dit onderzoek naar samenhang of naar oorzaak? En is rekening gehouden met verschillen in steun van het gezin en toegang tot zorg tussen de jongeren met en zonder blokker? Die vragen stellen is geen wantrouwen. De onderzoekers schrijven zelf dat meer onderzoek nodig is om het gevonden verband te verklaren.
Mark Visser
Redactie
Veelgestelde vragen
Twijfel je of wil je overleggen?
Je hoeft dit niet alleen te doen. Bekijk waar je terechtkunt voor steun en lotgenoten.
Naar hulp & steun →