Duits verzekeringsonderzoek: bij de meeste jongeren verdwijnt de genderdiagnose weer
Een analyse van verzekeringsgegevens van bijna veertien miljoen Duitse kinderen en jongeren laat zien dat de diagnose genderdysforie bij de meerderheid niet blijft staan — en dat het aantal diagnoses tegelijk fors is gestegen.

Een Duitse studie op basis van verzekeringsgegevens van bijna veertien miljoen kinderen en jongeren laat zien dat de diagnose genderdysforie bij verreweg de meeste jongeren niet blijft staan. Van iedereen die ooit de diagnose kreeg, had nog geen vier op de tien haar vijf jaar later nog in het dossier staan. Voor ouders van een kind dat zich meldt met gendervragen is dat een gegeven om naast het advies van een behandelaar te leggen.
Tien jaar aan gegevens van bijna veertien miljoen jongeren
Onderzoekers gebruikten geanonimiseerde declaratiegegevens van Duitse zorgverzekeraars, goed voor ongeveer veertien miljoen verzekerden tussen de 5 en 24 jaar, over de periode 2013 tot en met 2022. De resultaten verschenen in het Deutsches Ärzteblatt, het toonaangevende medische vakblad van de Duitse artsenfederatie. Anders dan een casusreeks uit één kliniek, beslaat dit vrijwel de volledige medische registratie van een land: wie kreeg ooit de ICD-diagnose 'genderidentiteitsstoornis' (F64), en stond die diagnose vijf jaar later nog in het dossier?
Ruim zestig procent verliest de diagnose weer
Van alle jongeren die ooit de diagnose kregen, had na vijf jaar nog maar 36,4 procent die diagnose op het dossier staan — bij ruim zestig procent was hij verdwenen. Opvallend is hoe ongelijk dat verdeeld is: bij meisjes van 15 tot 19 jaar bleef de diagnose het minst vaak staan, bij nog geen drie op de tien (27,3 procent). Bij jonge mannen van 20 tot 24 jaar was dat percentage het hoogst, met 49,7 procent. Juist de groep die de afgelopen jaren het hardst groeide — tienermeisjes — is dus ook de groep bij wie de diagnose het minst vaak blijft staan.
Een achtvoudige stijging, met veel bijkomende problematiek
Over de onderzochte tien jaar steeg het aantal gestelde genderdiagnoses in totaal ongeveer acht keer, en bij tienermeisjes specifiek zelfs ongeveer twaalf keer. Van alle jongeren met de diagnose had meer dan zeventig procent daarnaast minstens één andere psychiatrische diagnose. Opvallend is verder dat het aantal diagnoses van een verwante aandoening, 'stoornis in de seksuele ontwikkeling' (F66), in dezelfde periode juist daalde — wat erop kan wijzen dat een deel van de stijging een verschuiving in etikettering is, en niet uitsluitend nieuwe klachten die uit het niets ontstaan.
Wat de onderzoekers zelf concluderen
De auteurs trekken zelf geen conclusie over wat iemand wel of niet zou moeten doen, maar stellen dat de combinatie van een scherpe stijging in het aantal diagnoses, veel bijkomende psychische problematiek en een lage diagnostische stabiliteit reden is om zorgvuldig te wegen voordat medische transitiestappen worden gezet. Met andere woorden: een diagnose op één moment zegt volgens deze cijfers weinig over hoe iemand zich over vijf jaar zal voelen.
Wat dit voor ouders betekent
Voor ouders van een kind dat net heeft gezegd 'ik ben trans', is dit geen reden om de deur dicht te gooien, maar wel om niet te haasten. Een van de grootste datasets die er op dit terrein bestaat, laat zien dat een diagnose op een gegeven moment lang niet altijd blijvend is — juist niet bij de leeftijdsgroep die het vaakst wordt doorverwezen. Dat is een goede vraag om expliciet aan een behandelaar voor te leggen: hoe wordt deze onzekerheid meegewogen in het advies over vervolgstappen?

Mark Visser
Redactie
Veelgestelde vragen
Twijfel je of wil je overleggen?
Je hoeft dit niet alleen te doen. Bekijk waar je terechtkunt voor steun en lotgenoten.
Naar hulp & steun →