Je kind wil een verwijzing: wat de huisarts wel en niet toetst
Veel ouders gaan ervan uit dat de huisarts eerst meedenkt voordat een kind naar een genderkliniek gaat. Uit onderzoek onder transgender personen blijkt dat de huisarts vooral verwijzer is, en bij het Amsterdamse genderteam kregen tussen 2000 en 2016 ongeveer vijf op de zes aangemelde jongeren de diagnose. Wat betekent dat voor jou als ouder?

Als je kind zegt naar een genderkliniek te willen, is de huisarts de eerste stap: volgens de Gezondheidsraad kunnen kinderen met gendervragen als eerste bij de huisarts terecht (bron). Veel ouders verwachten dat daar een eerste weging plaatsvindt: past dit bij mijn kind, speelt er misschien iets anders, is het verstandig om even te wachten? Dat is een begrijpelijke verwachting. Hoe vaak die weging in de spreekkamer ook echt plaatsvindt, is niet gemeten. Wat er wel bekend is, staat hieronder.
De huisarts verwijst meestal door
Bij gendervragen is de huisarts in Nederland vooral verwijzer. In een vragenlijstonderzoek van Zorgvuldig Advies en Transvisie uit 2022 onder 727 transgender personen, van wie de meesten tussen de 16 en 30 jaar waren, had 92 procent contact gehad met de huisarts over de genderidentiteit of de mogelijkheden van zorg. Bij 91 procent van hen trad de huisarts op als verwijzer; bij 24 procent dacht de huisarts mee over mogelijke zorgaanbieders (bron). Dat zijn ervaringen van patiënten, geen meting onder huisartsen. Genderzorg Nederland, dat de cijfers op een rij zette in het overzicht hoeveel huisartsen doorverwijzen en hoeveel jongeren de diagnose krijgen, schrijft zelf dat er geen enquête onder Nederlandse huisartsen bestaat die meet welk deel van hen doorverwijst.
Over de kennis van huisartsen is meer bekend. In een enquête van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2012 onder ruim 450 transgender personen zochten 193 respondenten hulp bij de huisarts; 47 procent van hen zei dat de huisarts wilde helpen, maar geen informatie had (bron). De Gezondheidsraad schreef in juni 2026 dat er bij huisartsen en in de reguliere ggz vaak sprake is van handelingsverlegenheid en kennisachterstand rond gendervragen, en dat het kan voorkomen dat huisartsen iemand alvast op de wachtlijst plaatsen zonder zeker te zijn of dat nodig is (bron). Hoe vaak dat gebeurt, is niet gemeten. Het is geen verwijt aan huisartsen: volgens een artikel in Huisarts en Wetenschap zijn er in een normpraktijk ongeveer twintig genderincongruente personen (bron).
Wat er na de verwijzing gebeurt
Na de verwijzing volgt eerst een lange wachttijd. Volgens de Gezondheidsraad was die in 2022 voor kinderen en jongeren gemiddeld 35 weken bij ggz-aanbieders en gemiddeld 132 weken bij de genderpoli's van de umc's (bron). Daarna begint de diagnostische fase. Van de 1.072 jongeren van 10 tot 18 jaar die tussen 2000 en 2016 bij het Amsterdamse genderteam werden aangemeld, kreeg gemiddeld 84,6 procent de diagnose genderdysforie, met een spreiding van 75 tot 97,4 procent. Ongeveer vijf op de zes dus. Van de jongeren met een diagnose begon gemiddeld 77,7 procent met puberteitsremmers, hormonen of beide (bron). Deze cijfers gaan over één centrum en lopen tot en met 2016. Ze zeggen niet dat die diagnoses onjuist zijn. Ze laten wel zien dat een aanmelding in die jaren in de meeste gevallen op een diagnose uitkwam.
Wat je als ouder wel kunt doen
Ga mee naar het gesprek bij de huisarts, zeker als je kind minderjarig is. Het Nederlands Huisartsen Genootschap raadt huisartsen aan om met zowel het kind als de ouders in gesprek te gaan en na te gaan of er meerdere hulpvragen spelen (bron). Vertel wat jij thuis ziet: hoe lang speelt dit al, hoe gaat het op school, zijn er zorgen over somberheid, angst, autisme, eetproblemen of pesten? Die informatie hoort bij de verwijzing. Het Radboudumc vraagt verwijzers bijvoorbeeld om alle relevante informatie over de voorgeschiedenis mee te sturen, samen met de rapportage van het diagnostisch traject bij een reguliere ggz-instelling (bron). Vraag de huisarts ook welke ondersteuning er in de wachttijd mogelijk is, bijvoorbeeld via de praktijkondersteuner ggz; het NHG raadt huisartsen aan dat te bespreken. Bij bijkomende problemen zoals autisme of ADHD hoeft een verwijzing naar de praktijkondersteuner of de jeugd-ggz volgens Huisarts en Wetenschap niet te wachten tot de intake bij een gendercentrum.
Een verwijzing is geen beslissing
Het kan helpen om dat ook tegen je kind te zeggen. Een verwijzing betekent dat er gekeken gaat worden, niet dat de uitkomst vaststaat. Tegelijk is het goed om te weten dat in de Amsterdamse cijfers ongeveer vijf op de zes aangemelde jongeren de diagnose kregen. Wettelijk is voor een behandeling tussen 12 en 16 jaar de toestemming van zowel je kind als de ouders nodig; vanaf 16 jaar beslist je kind zelf (bron). Juist daarom is jouw rol als ouder groter dan je misschien denkt. Jij kent het hele kind, met de hele voorgeschiedenis, en jij blijft wanneer de afspraak voorbij is.
Mark Visser
Redactie
Veelgestelde vragen
Twijfel je of wil je overleggen?
Je hoeft dit niet alleen te doen. Bekijk waar je terechtkunt voor steun en lotgenoten.
Naar hulp & steun →