Detransitie en spijt: kinderen die terugkeren
Hoe vaak detransitie voorkomt is niet bekend. Wat onderzoek en de verhalen van detransitioners leren over zorgvuldigheid vooraf.

Detransitie — terugkeren op een transitie — is pas sinds enkele jaren zichtbaar. Onderzoeker Lisa Littman schrijft dat de zichtbaarheid van detransitioners nieuw is en mogelijk snel toeneemt: tussen 2015 en 2017 verschenen de eerste blogs, steungroepen en interviews (bron). Hoe vaak detransitie voorkomt is niet bekend. Wat detransitioners zelf vertellen, is voor ouders leerzaam.
Wat is detransitie?
Een vaste definitie bestaat niet. Volgens de Gezondheidsraad bevatten de gangbare definities meestal het stoppen met hormoonbehandeling, het ondergaan van operaties om de effecten van de transitie terug te draaien, of allebei. Detransitie en spijt zijn niet hetzelfde: niet iedereen die spijt heeft van de transitie stopt met de behandeling, en niet iedereen die stopt heeft spijt van de beslissing om in transitie te gaan (bron).
Hoe vaak komt het voor?
Dat is niet goed vast te stellen. In Nederlandse studies stopte 0 tot 3,5 procent met hormoonbehandelingen die op minderjarige leeftijd waren gestart, en werden geen gevallen van spijt gevonden. De Gezondheidsraad schreef in juni 2026 dat daaruit geen definitieve conclusies over het aantal gevallen van spijt te trekken zijn, vanwege de veelal korte follow-upduur en de substantiële uitval in de studies. De commissie ziet bovendien signalen dat een deel van de mensen die stoppen, spijt hebben of in detransitie gaan dit niet aan hun zorgverleners meldt en dus buiten de studies blijft (bron).
In het Amsterdamse cohort (1972-2015) werd spijt vastgesteld bij 0,6 procent van de transvrouwen en 0,3 procent van de transmannen die een gonadectomie (verwijdering van de teelballen of eierstokken) hadden ondergaan. Zij uitten die spijt 46 tot 271 maanden na de start van de hormoonbehandeling (bron).
Wat vertellen hun verhalen?
In een anonieme online enquête onder 100 mensen die na een medische transitie waren gedetransitioneerd (Littman, 2021) noemde 38 procent als reden dat de genderdysforie volgens henzelf door iets specifieks was veroorzaakt, zoals trauma, misbruik of een psychische aandoening. 23 procent noemde homofobie of moeite om zichzelf als lesbisch, homo of biseksueel te accepteren. Tien deelnemers hadden al een diagnose autisme voordat de genderdysforie begon. 55 procent vond dat zij vóór de transitie niet goed genoeg waren onderzocht door een arts of psycholoog, en 24 procent had de eigen behandelaar laten weten dat zij waren gedetransitioneerd. De deelnemers waren gemiddeld 3,9 jaar in transitie voordat zij besloten terug te keren en waren op dat moment gemiddeld 26,4 jaar oud. De deelnemers zijn onder meer via sociale media geworven; de onderzoeker schrijft dat de uitkomsten niet voor alle detransitioners hoeven te gelden (bron).
In een tweede online enquête, onder 237 detransitioners (Vandenbussche, 2021), meldden de deelnemers een groot gebrek aan steun, met veel negatieve ervaringen in de medische en psychische zorg en in de lhbt+-gemeenschap (bron).
Wat leren we hiervan?
Detransitie bewijst niet dat transitie nooit goed is, maar wel dat zekerheid op zestienjarige leeftijd geen garantie is. Dat is precies het argument om niet te overhaasten en eerst goed te onderzoeken. De Gezondheidsraad vindt het van belang dat de zorg zo is ingericht dat jongeren gedurende het hele traject de ruimte voelen om te stoppen en eventuele spijt te uiten, wat hun redenen ook zijn (bron).
Meer lezen en steun
Ervaringsverhalen en steun vind je op Transspijt en Transitieschade.
Veelgestelde vragen
Twijfel je of wil je overleggen?
Je hoeft dit niet alleen te doen. Bekijk waar je terechtkunt voor steun en lotgenoten.
Naar hulp & steun →